Doornenburgs Dialect (2)

Doornenburgs Dialect! Een onregelmatig verschijnende lijst van Doornenburgse dialectwoorden zoals die door Vàt en Moet in lang vervlogen tijden werden gebezigd.

Vandaag deel 2:

BOG

(o, mv:~, zelfst.nw)

  1. Vies drankje (in ’t Doornenburgs: “Grei dâ niet te zuupe is”), vaak gehoord in café of op terras. Soms refererend aan bier als het over de houdbaarheidsdatum is (al komt dat in deze omgeving zelden voor), maar soms slaat het ook op een nieuw drankje. In ons durpke geldt “wat de keujesboer nie wit da vrèttie nie”.
  2. Welig tierend onkruid dat zich op plekjes bevind waar het NIET welkom is. Bog bevind zich op allerlei plaatsen zoals trottoir, zebrapad, tussen asfalt en klinkers, op terrassen en verharde zitplaatsen. Hardgrondig gehaat vanwege de volharding waarmee ze steeds opnieuw terugkeert als ware het een Huessense politicus.

“Ik goat d’n zeis höre want ik mot bog mèijje” hoor je veelvuldig als de oppositie volop in de aanval gaat tijdens een politieke avond.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*